Frustraties

Broeder Jacob

Beste Marc,

Er moet mij iets van het hart.
Deze lichting Duivels is wellicht kwalitatief gezien de beste waarover een Belgische bondscoach ooit mocht beschikken. Toch – en ik zal erg beleefd proberen blijven – slaagt u er niet in om deze goudhaantjes aan het voetballen te krijgen. Of u wil niet. Dat zal wellicht dichter bij de waarheid komen. Maar de keiharde resultaten geven u alsnog gelijk. Toch een opmerking. Of een paar.

Tegen de Russen was een gelijkspel eerlijker geweest. Tegen Algerije hebben we ge(kampf)zwijnd. En na de wedstrijd tegen Zuid-Korea zouden we – de punten uit eerder genoemde wedstrijden toch maar in acht genomen – Duitsland mogen trotseren, ware het niet dat we Held Courtois onder de lat hebben staan. Kortom: negen punten uit drie wedstrijden.
‘We kunnen toch niet anders dan tevreden zijn’, zegt u, maar eigenlijk dekken termen als ‘nipt’ en ‘hakken over de sloot’ de Duivelse lading minstens even volledig als ‘uw negen op negen, dus goed’-verhaal. Dat meen ik toch te mogen zeggen, beschikkend over dit spelersmateriaal, tegen nota bene ploegen als Algerije en Zuid-Korea, notoire voetbaldwergen uit Plopsaland.

Ik weet niet hoe het er daar nu aan toegaat, maar ik kan me er wel iets bij voorstellen. Lukaku, de arme drommel, is een slachtoffer geworden van uw gekozen tactiek. Ik zou niet op dit moment niet graag de getergde controller van Playstation zijn.
Voorts bevordert de opstelling van de wedstrijd tegen Zuid-Korea – maar liefst zeven wijzigingen, het leek wel alsof u uw opstelling bepaalde door Panini stickers uit een bokaal te trekken – niet echt het zelfvertrouwen, laat staan de automatismen bij wat ondertussen al lang een gesmeerd team zou moeten zijn. Wie kent zijn plaats?

U kan gewag blijven maken van een goede groepssfeer, we zullen niet spieken onder de mantel der liefde over de reactie van Lukaku op zijn wissel – maar een nationaal team coachen, vergt een meerwaarde die de identiteit van de groepsknuffelpapabeer ver overstijgt. Goed voetbal én resultaat. Dat verwacht niet alleen de man thuis met het blik Jupiler op de schoot, maar ook de mensen die hun verlof en een hoop poen investeren in een reis naar Brazilië in de hoop op succes. En een beetje return on investment voor deze mensen, die door allerlei promotiecampagnes werden aangemoedigd om de Duivels keihard te steunen. Moet toch kunnen met deze groep? Lees de kranten er maar eens op na. De hele wereld at wat minder en liet plaats in de maag om te smullen van de Duivels, maar we laten iedereen op de honger zitten.

Ik las in de media dat u de woorden ‘We kunnen nu bevrijd spelen’ in de mond heeft durven nemen. Wel, beste Marc, bestuurder van mijn hartkleppen, ik hoop het oprecht. Ga eens voetballen.
Want weet u? U heeft een Stradivarius in handen. We hebben u daarop nu driemaal Broeder Jacob horen spelen. Hoog tijd voor een partij die het instrument waardig is.

Met vriendelijke groet,

Coltrui

Standard
Ponderingetjes

Wij zijn zo niet!

‘De beste lichting Duivels ooit!’
U heeft die Hosanna-stemming vast al vaker ervaren op de werkvloer, op café, of in de media. En iedereen is het daar volmondig mee eens, met uitzondering wellicht van degenen die in de jaren tachtig zelf de noppen aantrokken om de Belgische eer tussen de krijtlijnen te verdedigen. Ook ondergetekende, die er – toegegeven – waarschijnlijk het minst kaas van gegeten heeft, wil niet ontkennen dat het lijstje Duivels indrukwekkend is. Het gros vertegenwoordigt een buitenlandse topploeg, al dan niet als sterkhouder en mocht ik ooit wakker worden met de som van hun prijskaartjes op mijn bankrekening, koop ik Monaco. En Thibaut Courtois. Voor op de schouw.

Toch ben ik van mening dat we enige vorm van bescheidenheid aan de dag moeten leggen. Niet omdat de uitslagen van de kwalificatiewedstrijden nogal vleiend zijn geweest, gezien ‘we’ bij vlagen gewoon van de mat gespeeld zijn. Ook niet omdat het jonge en bij wijlen nonchalante team blijkbaar geen negentig minuten concentratie kan opbrengen, wat in het laatste speelkwartier niet zelden tot een tegentreffer heeft geleid. Ik laat ook de magere buit tegen voetbaldwergen als Japan, Colombia en Ivoorkust in de collectieve vergeethoek liggen, waar die na onze klinkende overwinning tegen het Wereldteam Luxemburg blijkbaar verzeild is geraakt.

Nee, punt is: wij zijn zo niet. Wij zijn bescheiden, houden de voetjes op de grond en laten het Wij-worden-wereldkampioen-geschreeuw over aan onze Oranje buren. Down to earth. Zo hoort dat in Belgenland.

Ik ga zo meteen kijken hoe onze Uitverkoren Elf – of Drieëntwintig, excuus, meneer Wilmots – het zal vergaan tegen Zlatan en co. En natuurlijk ga ik supporteren, doch zal ik me meer vermaken met de opmerkingen van mijn vrouw, die er geen bal van snapt, maar toch wil participeren aan de gezelligheid. Die oprecht vraagt of een speler die een gele of rode kaart krijgt, die na de wedstrijd ook mee naar huis mag nemen. Die vraagt op de score bovenaan uw beeld omgedraaid wordt, wanneer de tweede helft begint. Die onophoudelijk commentaar geeft op fashion crimes van de vaak vreemd gekapte gladiatoren, en me telkenmale weer verzekert dat mijn benen mooier zijn dan die van welke speler dan ook. De leugenachtige schat.

Maar! Juist: maar! Wanneer de Belgen de eerste ronde in Brazilië overleven en dus Duitsland of Portugal het hoofd moeten bieden, dán ga ik er in geloven. Dan doe ik mee aan de hetze. TV aan! Luid, Frank Raes of geen Frank Raes! En mijn vrouw moet dan haar klep houden en iets huishoudelijks gaan doen of zo. Dán doe ik mee. Want zo ben ik dan ook wel weer.

Standard