Liefste Dagboek

Dat is buren voor.

Het was laat. Eigenlijk veel te laat om cheese cake te staan bakken, maar ondergetekende negeerde de klok die al na tienen ‘s avonds aangaf en ging dapper aan de slag. Koekjes werden met wat amandelschijfjes gemalen voor de bodem, even met gesmolten boter aangebakken in de oven en ik haalde de roomkaas en zure room uit de ijskast, speurend naar het benodigde ei. Geen ei. Mijn ijskast bleek eiloos. Zo eiloos als de gemiddelde dakpan.

‘Zou ik durven aanbellen bij de buren?’ raadpleegde ik mijn eega.
‘Het is wel al laat, niet?’ gooide ze – etiquettair onderlegd als ze is – in de weegschaal.
‘Mja, maar alles is zo goed als klaar, het zou zonde zijn om weg te gooien, niet?’
‘Het ruikt wel al lekker…’
En dan wint de geur van comfort food het van de etiquette.

Vol schroom ging ik door de voordeur, om regel één van elk Nederlands recept in de praktijk te brengen. ‘Leen een ei.’

De TV van de linkerburen stond luid genoeg om Romazigeuners mee te verjagen. Mijn vinger ging aarzelend naar de deurbel, maar ik bedacht me toen een mannenstem binnen plots begon te schreeuwen.
‘Godverdomme, stomme kut!’
Buurman leek op dat moment een heel klein beetje in onvrede te leven met buurvrouw. Wellicht vandaar het idioot aantal TV-decibels. Ik bedacht me dat deze agressieve meneer, in volle echtelijke ruzie met zijn stomme kut, na tienen om een ei verzoeken vast niet gedekt wordt door mijn verzekering, dus leek het mij een strak plan om elders mijn geluk te gaan beproeven.
Ook bij buur twee brandde nog licht en werd luchtig gediscussieerd over wat de beeldbuis te gapen aanbood. Ik bande de bedelstaf uit mijn gedachten en belde aan. De stemmen verstomden. De TV ging uit.

Ik heb twee minuten gewacht. Een tweede keer bellen had duidelijk geen zin – daar zou ik ook geen ei buitmaken. Buur drie bleek niet thuis, of sliep al. Dus zat er niks anders op om als een mislukte Colombus eiloos weer huiswaarts te keren.
‘En?’
‘Niks,’ negeerde ik het leedvermaak van de vrouw.
‘Al bij de overburen geprobeerd?’
‘Nee? Wie woont daar misschien?’
‘Joviale mensen. Zwaaien toch enthousiast wanneer ik buiten kom.’

Een laatste poging kon geen kwaad. Ik belde aan en meteen deed een Turk open, gekleed in een mouwloos onderhemd. Aan zijn been, hing wat verlegen nageslacht.
‘Sorry meneer, dat ik nog zo laat kom aanbellen, maar ik woon daar aan de overkant. Ik ben taart aan het maken en heb geen eieren meer. Ziet u, alle ingrediënten zijn klaar, ik hoef enkel nog een ei, vandaar dat ik mijn stoute schoenen heb aangetrokken om u op dit uur nog om een ei te verzoeken.’
De man kijkt wat onzeker.
‘Wablieft?’
Wellicht was mijn zenuwachtige uitleg iets te ingewikkeld voor de man die pas een paar maanden in België vertoeft. Korte versie dan maar.
‘Kan ik een ei lenen, alsjeblieft?’
‘Oh, ei? Tuurlijk!’
Hij glimlacht, keert me even de rug toe en roept wat in het Turks naar binnen. Luttele seconden later staat zijn vrouw op de drempel, die me drie eieren toestopt.
‘Dank u wel, mevrouw. Maar eentje is genoeg!’
‘Neem mee, neem mee!’ zegt ze.
‘Ik breng jullie morgen nieuwe. Beloofd.’
‘Neenee, mag niet! Niet terugbrengen! Dat is buren voor.’
‘Dank u wel. Nogmaals, sorry voor het zo laat nog aanbellen.’
‘Geen probleem!’
Ik geef het kind een aai over zijn bol en steek de straat weer over. Mét eieren!

Als zij ooit iets nodig hebben, ben ik de eerste die klaarstaat. Want dat is buren voor. Toch?

Standard
Frustraties

Broeder Jacob

Beste Marc,

Er moet mij iets van het hart.
Deze lichting Duivels is wellicht kwalitatief gezien de beste waarover een Belgische bondscoach ooit mocht beschikken. Toch – en ik zal erg beleefd proberen blijven – slaagt u er niet in om deze goudhaantjes aan het voetballen te krijgen. Of u wil niet. Dat zal wellicht dichter bij de waarheid komen. Maar de keiharde resultaten geven u alsnog gelijk. Toch een opmerking. Of een paar.

Tegen de Russen was een gelijkspel eerlijker geweest. Tegen Algerije hebben we ge(kampf)zwijnd. En na de wedstrijd tegen Zuid-Korea zouden we – de punten uit eerder genoemde wedstrijden toch maar in acht genomen – Duitsland mogen trotseren, ware het niet dat we Held Courtois onder de lat hebben staan. Kortom: negen punten uit drie wedstrijden.
‘We kunnen toch niet anders dan tevreden zijn’, zegt u, maar eigenlijk dekken termen als ‘nipt’ en ‘hakken over de sloot’ de Duivelse lading minstens even volledig als ‘uw negen op negen, dus goed’-verhaal. Dat meen ik toch te mogen zeggen, beschikkend over dit spelersmateriaal, tegen nota bene ploegen als Algerije en Zuid-Korea, notoire voetbaldwergen uit Plopsaland.

Ik weet niet hoe het er daar nu aan toegaat, maar ik kan me er wel iets bij voorstellen. Lukaku, de arme drommel, is een slachtoffer geworden van uw gekozen tactiek. Ik zou niet op dit moment niet graag de getergde controller van Playstation zijn.
Voorts bevordert de opstelling van de wedstrijd tegen Zuid-Korea – maar liefst zeven wijzigingen, het leek wel alsof u uw opstelling bepaalde door Panini stickers uit een bokaal te trekken – niet echt het zelfvertrouwen, laat staan de automatismen bij wat ondertussen al lang een gesmeerd team zou moeten zijn. Wie kent zijn plaats?

U kan gewag blijven maken van een goede groepssfeer, we zullen niet spieken onder de mantel der liefde over de reactie van Lukaku op zijn wissel – maar een nationaal team coachen, vergt een meerwaarde die de identiteit van de groepsknuffelpapabeer ver overstijgt. Goed voetbal én resultaat. Dat verwacht niet alleen de man thuis met het blik Jupiler op de schoot, maar ook de mensen die hun verlof en een hoop poen investeren in een reis naar Brazilië in de hoop op succes. En een beetje return on investment voor deze mensen, die door allerlei promotiecampagnes werden aangemoedigd om de Duivels keihard te steunen. Moet toch kunnen met deze groep? Lees de kranten er maar eens op na. De hele wereld at wat minder en liet plaats in de maag om te smullen van de Duivels, maar we laten iedereen op de honger zitten.

Ik las in de media dat u de woorden ‘We kunnen nu bevrijd spelen’ in de mond heeft durven nemen. Wel, beste Marc, bestuurder van mijn hartkleppen, ik hoop het oprecht. Ga eens voetballen.
Want weet u? U heeft een Stradivarius in handen. We hebben u daarop nu driemaal Broeder Jacob horen spelen. Hoog tijd voor een partij die het instrument waardig is.

Met vriendelijke groet,

Coltrui

Standard
Ponderingetjes

Wij zijn zo niet!

‘De beste lichting Duivels ooit!’
U heeft die Hosanna-stemming vast al vaker ervaren op de werkvloer, op café, of in de media. En iedereen is het daar volmondig mee eens, met uitzondering wellicht van degenen die in de jaren tachtig zelf de noppen aantrokken om de Belgische eer tussen de krijtlijnen te verdedigen. Ook ondergetekende, die er – toegegeven – waarschijnlijk het minst kaas van gegeten heeft, wil niet ontkennen dat het lijstje Duivels indrukwekkend is. Het gros vertegenwoordigt een buitenlandse topploeg, al dan niet als sterkhouder en mocht ik ooit wakker worden met de som van hun prijskaartjes op mijn bankrekening, koop ik Monaco. En Thibaut Courtois. Voor op de schouw.

Toch ben ik van mening dat we enige vorm van bescheidenheid aan de dag moeten leggen. Niet omdat de uitslagen van de kwalificatiewedstrijden nogal vleiend zijn geweest, gezien ‘we’ bij vlagen gewoon van de mat gespeeld zijn. Ook niet omdat het jonge en bij wijlen nonchalante team blijkbaar geen negentig minuten concentratie kan opbrengen, wat in het laatste speelkwartier niet zelden tot een tegentreffer heeft geleid. Ik laat ook de magere buit tegen voetbaldwergen als Japan, Colombia en Ivoorkust in de collectieve vergeethoek liggen, waar die na onze klinkende overwinning tegen het Wereldteam Luxemburg blijkbaar verzeild is geraakt.

Nee, punt is: wij zijn zo niet. Wij zijn bescheiden, houden de voetjes op de grond en laten het Wij-worden-wereldkampioen-geschreeuw over aan onze Oranje buren. Down to earth. Zo hoort dat in Belgenland.

Ik ga zo meteen kijken hoe onze Uitverkoren Elf – of Drieëntwintig, excuus, meneer Wilmots – het zal vergaan tegen Zlatan en co. En natuurlijk ga ik supporteren, doch zal ik me meer vermaken met de opmerkingen van mijn vrouw, die er geen bal van snapt, maar toch wil participeren aan de gezelligheid. Die oprecht vraagt of een speler die een gele of rode kaart krijgt, die na de wedstrijd ook mee naar huis mag nemen. Die vraagt op de score bovenaan uw beeld omgedraaid wordt, wanneer de tweede helft begint. Die onophoudelijk commentaar geeft op fashion crimes van de vaak vreemd gekapte gladiatoren, en me telkenmale weer verzekert dat mijn benen mooier zijn dan die van welke speler dan ook. De leugenachtige schat.

Maar! Juist: maar! Wanneer de Belgen de eerste ronde in Brazilië overleven en dus Duitsland of Portugal het hoofd moeten bieden, dán ga ik er in geloven. Dan doe ik mee aan de hetze. TV aan! Luid, Frank Raes of geen Frank Raes! En mijn vrouw moet dan haar klep houden en iets huishoudelijks gaan doen of zo. Dán doe ik mee. Want zo ben ik dan ook wel weer.

Standard
De Kinders

De Poezelewoefkes

Klaroenen, trompetten en pauken alom, vandaag iets minder geroeptoeter. Frustratie heeft plaatsgemaakt voor altruïsme. U blij maken, dát is wat ga ik doen! Want ik wed dat de biologische verwekkers onder u al lang ergens mee zitten. Al heel lang. En eigenlijk is dat helemaal niet nodig!

Kinders. Onze spruitjes. De roze wolkjes. Onze hoeksteentjes van de maatschappij. Uw allerschoonste bezit. De oogappeltjes. Ok, ze zeuren wel eens, maar ze zijn de moeite waard, toch? En ja, ze zijn nooit content, maar het zijn toch zo’n schattige guitigaards, he. En toegegeven, hoe ouder ze worden, hoe meer de buis van Eustachius dienst weigert tijdens een sessie Ouderlijke Kamervragen. En ze maken altijd en overal rommel. Respect voor uw kookkunsten staat niet in hun woordenboek en in een winkel gedragen ze zich als huilies met een suikertekort die schijnbaar nooit iets te snoepen krijgen. Kleren opruimen is te veel gevraagd en die handdoek in de badkamer raapt zichzelf wel op. Een toilet doortrekken is een loodzware opdracht en schoenen uit de sofa houden voor jeanetten.

Hey, psst…

Geef toe. U zou uw kinderen – net als ik – af en toe eens graag achter het behang plakken, toch? Uw poezelewoekies. Ik weet het. Het mag niet. Het is not done. Nooit en plein public toegeven dat u de kientjes wel eens beu bent. Toch, doe eens gek. Het valt wel eens voor dat u hen naar Mars en omstreken verwenst, toch? De koetchiewoetchiekes.

Wel, van mij mag het. Want weet u? Dat is volkomen normaal.

Standard
Frustraties

Hey, doe eens kappen?

Paniek! Bange schrikangst, mensen! We gaan allemaal keidood en oneindig verschrikkelijk kapot! Want – ik weet niet of u het al gehoord heeft – den enveejaa heeft drie miljoen miljard stemmen gehaald dankzij evenveel achterlijke fascisten die niet kunnen nadenken!
Goeiemorgen, zeg. Kan het even wat minder? N-VA stemvee radicaal wegzetten als een clubje fascisten, en dat dan terwijl u pretendeert een socialere partij aan te hangen. Het moet niet gekker worden.

Wel, beste paniekzaaiers, geachte ik-ben-keisociaal-dus-weg-met-die-Hitlerpartij-roepers, maak u geen zorgen. De soep wordt nooit zo heet gegeten als ze wordt opgediend, luidt het spreekwoord. En spreekwoorden bestaan niet voor niks. Daar zit meestal een of andere vorm van wijsheid in. Als de partij van Meneer De Wever – u bemerkte vast het woordje ‘als’ – al mee mag regeren, gelooft u dan echt dat alles waar ze voor staan stante pede zal doorgevoerd worden? Nooit bij stilgestaan dat er water bij de wijn zal moeten? Al eens nagedacht wat water bij de wijn doet met een partij met extreme standpunten? En nu ik u toch aan het ondervragen ben: leg mij de impact eens uit die de legendarische zwarte zondag vandaag de dag nog steeds heeft?

Zou het niet zomaar kunnen dat er mensen zijn die het bolletje rood kleurden voor de N-VA omdat we met z’n allen nu maar wat ronddobberen? Zou er misschien ergens een heel kleine mogelijkheid bestaan dat mensen geen beter alternatief kennen om de huidige politiek een draai om de oren te geven? Ik denk het wel. Meer nog, ik ben er zeker van.

Nee, laat ons de N-VA stemmer een ratel geven en lekker sociaal klasseren onder de noemer separatist. Heeft u alvast uw best gedaan, voor de goei gestemd en kan u later altijd hoofdschuddend zeggen dat het niet aan u heeft gelegen. Maar dat zal u nooit moeten doen, laat dat duidelijk zijn. Alleen weet u dat nog niet.

Dus kappen met dat ik-ben-sociaal-en-jij-bent-fascist-gedoe. Dank.

Standard
Frustraties

Ik weet het niet meer

Een bekentenis. Van mij. Ontboezemingen en al. Moet kunnen. Hou u vast! Klaar?
Zondag krijg ik een rood potlood in de hand geduwd en wordt van mij verwacht dat ik wat bolletjes inkleur die zouden moeten bijdragen tot een betere toekomst voor mama België en papa Europa. Maar weet u wat? Ik weet het niet meer. Het boeit me ook geen knijt meer. Op een schaal van één tot tien, situeert mijn interesse in dat getouwtrek zich ergens rond de vierde eeuw voor Christus. Zo, weet u dat ook weer.

U slaat nu wellicht vol ongeloof een hand voor de mond en schudt meewarig het hoofd om zoveel domheid. ‘Maar Coltrui! Hoe kortzichtig! Denk aan de kindjes!’
Nou, sta mij even toe mijn kin van eerder onopgemerkt kwijl te ontdoen, alvorens mijn apathische infantiliteit te elaboreren.

Laat mij er een cliché tegenaan gooien: ‘Die politiekers beloven altijd maar, maar als puntje bij paaltje komt, komen ze hun beloftes nooit na.’ Toogpraat, onderbuikgezwets en wijsheid van laag allooi, zo lijkt het wel. Edoch niet gespeend van een kern van waarheid. Want elke verkiezing weer komen dezelfde thema’s aan bod: werkgelegenheid, migratie, ondernemingslust, sociale zekerheid en duurzaamheid. Elke verkiezing weer, wordt beterschap beloofd. Het startschot voor wat een sprint naar een mieters België zou moeten zijn, werd al gegeven in 1830. Ondertussen is het een marathon en de finish is nog lang niet in zicht. De hete hangijzers keren steeds weer, zodat ik me afvraag wat het nut is van mijn stem.

Dan de partijen zelf. De socialisten willen dat de sterkste schouders de zwaarste lasten dragen, en gaan ‘het geld halen waar het zit’. Dat dat al een tijdje leidt tot kapitaalsvlucht en het feit dat veel bedrijven zich liever buiten België gaan vestigen, daar wordt vlotjes aan voorbijgegaan. Het is een soort ‘après nous le déluge’-mentaliteit, want op langere termijn, valt er niks meer te halen. Want de sterke schouders zijn verhuisd. En dan?

De blauwen dan, zou u zeggen. Nou die hebben wat mij betreft hun kans gehad. Zij zouden de werkgever moeten vertegenwoordigen, maar daar heb ik de laatste belastingslegislatuur weinig van gemerkt. Integendeel: bedrijf na bedrijf sloot finaal de deur. Alle extra belastingen zijn door de blauwtjes goedgekeurd onder het mom van ‘verantwoordelijkheid nemen’. Als ik dan lees dat mevrouw Rutten tijdens de huidige campagne met droge ogen verklaart dat haar partij garant staat voor het feit dat er geen extra belastingen zullen geïnd worden, ontploft mijn bullshitmeter. De huidige federale regering was maar om te lachen, of zo?

Met de groene bakfietsende teensletsen heb ik nooit wat gehad. Het lijkt wel het kleine broertje van de roden, maar dan met als extra programmapunt duurzaamheid. Dus de sociale zekerheid op lange termijn naar de bliksem helpen, maar hey, tegen dat het zover is, is het milieu tenminste tof. Trouwens, duurzaamheid kost geld, Meneer Van Besien. Heeft u gemist dat we net een crisis achter de rug hebben?

De partij van de Antwerpse burgemeester dan. Enfin, dat is nog maar de vraag. Want ondanks de belofte zijn termijn als burgemeester af te maken, keert hij nu daar nu op terug, mocht hij het premierschap in de schoot geworpen krijgen. En meneer De Wever zou dat in een nieuwe belofte dan ineens voor tien jaar blijven. Ik hou mijn hart vast bij de eerstvolgende Prins Carnavalverkiezing.
Trouwens ook gemerkt dat het woord ‘confederalisme’ plots uit de debatten verdwenen is ten faveure van het populairdere ‘sociaal-economische’?
Wanneer tot slot blijkt dat het belang van bepaalde programmapunten ook nog eens onderbouwd wordt met verkeerde cijfers, beschouw ik dat als de slagroom op hun ongeloofwaardigheidstaart.

Ik zou bijna de Christendemocraten nog vergeten. Weinig opgevallen tijdens de debatten. Same old, same old?
En – maar dat is zuiver persoonlijk – de oppositiebijbel van het Vlaams Belang ga ik zelfs niet eens lezen.

Zo, daar moeten we het mee doen. Zegt u het maar. Ik weet het niet meer.

Standard
Ponderingetjes

Feminextremisme

Ik ben niet zo voor de hedendaagse feministen. There, I said it.
De stroming die ooit ontstond om de ongelijke ‘machtsverhoudingen’ tussen man en vrouw aan te kaarten – of vrouw en man, excuseer – schiet vandaag de dag wat mij betreft haar doel volledig voorbij.
U zal mij niet horen zeggen dat vrouwlief na een dag noest huishoudelijk labeur met de kinders aan de haard hoort, om haar kostwinnende echtgenoot op te wachten met Kasteelbier. Zou dom zijn, want ik heb geen haard. Ik zal nooit verkondigen dat stemrecht voor vrouwen de grootste vergissing is sinds de schepping der aarde. Hoger onderwijs voor de dames? Had nooit anders mogen zijn! Blijkbaar incasseert u mét piemel meer loon dan iemand zonder voor een vergelijkbare functie, dat wordt terecht aangekaart en moet gelijkgetrokken worden. Strak plan, zeg ik.

Maar ondertussen is er al zóveel bereikt, dat er nog weinig schokkends te egaliseren valt. We hebben de nieuwe man. Eentje die ondertussen het zeemvel heus wel weet liggen als hij wat moisturizer in de lavabo heeft gemorst. Chauffeuses zijn chauffeurs geworden, kunstenaressen kunstenaars. Directrices en redactrices: ze bestaan niet meer.
Waar vrouwen in de minderheid zijn, wordt geschreeuwd om fifty-fifty quota. Of het nu om topfuncties in bedrijven gaat of verkiezingslijsten – posities die toch bekleed zouden moeten worden door mensen op basis van bepaalde vaardigheden – het gevaar dat een minder bekwame kandidaat uitverkoren wordt, weegt niet op tegen het evenwicht van de balans der seksen. Of die nu naar links of naar rechts doorslaat. Wat is er mis met de juiste m/v op de juiste plaats? Een man of vrouw dreigt de dag van vandaag dus verkozen te worden op basis van geslacht. Was dat nu net niet waar feministen van gaan steigeren? Overigens hoor ik weinig over quota voor vrouwen die aan de vuilniskar aan de bak moeten. Vind ik niet erg, maar wel frappant. Als rechten plichten worden, gelden andere regels?

Het triest dieptepunt is toch wel dat politieke instanties zich inlaten met debatten over welke achternaam uw kind zou moeten kunnen krijgen. Blijkbaar wordt het bekomen van vaders familienaam beschouwd als een ‘mannelijk privilege’ waar grondig komaf mee dient gemaakt te worden. En dringend ook, want ik kan me voorstellen dat er andere dossiers liggen te wachten op een urgenter debat.

Kortom, we slaan door. Het neigt naar extremisme. Nog even en er worden subsidies uitgetrokken voor onderzoek naar medicijnen tegen afstotingsverschijnselen na baarmoederimplantatie bij de man.

Kom op, strijdvaardige dames. Uw werk zit er op. En u heeft dat uitstekend gedaan. Ga nu op uw lauweren rusten. Ik breng u Kasteelbier.

Standard
Frustraties, Ik ben belachelijk

Observeermeneer

Ik hou niet zo van autorijden. Noem mij gerust een mietje, maar leg een stuur in mijn handen en mijn zweetklieren gaan plots harder werken dan een Noord-Koreaanse strafkamparbeider na een negatief evaluatiegesprek. Mijn hart gaat dubstep componeren, mijn handen spreken gebarentaal in Algemeen Beschaafd Parkinson en mijn zelfbeheersing gaat dan verstoppertje spelen.
Voor de niet zo goede verstaander: ondergetekende is een panische chauffeur. Ziet u, wat mij betreft, schuilt achter elke beweging van een automobilist, fietser of aan het verkeer deelnemende fruitvlieg een potentiële kernramp.
Vandaar dat ik veel vaker op de passagiersstoel te vinden ben dan aan het stuurwiel – erg handig, zo kan ik sneller bij de reserveonderbroek in het handschoenenkastje. Want wanneer de wagen na een bruusk manoeuvre van mijn chauffeur een remspoor achterlaat, blijk ik erg solidair.

De passagiersstoel dus. Dat is de troon van waarop ik heers. Als ‘Observeermeneer’, denk ik dan bij mezelf. Niemand die zichzelf een beetje serieus neemt, zegt zoiets luidop. En je ziet wat, als Observeermeneer.

Het begint ‘s ochtends bij het invoegen op de asfaltstrook die tegenwoordig onterecht de term ‘snelweg’ toebedicht krijgt. File. Niet getreurd, de Observeermeneer in u krijgt zo de gelegenheid om het gedrag van uw collega-slakken te observeren.
Terwijl u op zoek gaat naar een gaatje om in te voegen in de tergend langzame sliert, houdt iedereen op het baanvak links van u zich vreemd genoeg synchroon ledig met dezelfde bezigheid: het stuur krampachtig vastgrijpen en in opperste concentratie strak voor zich uitkijken. Hoewel ik het niet proefondervindelijk kan bevestigen, durf ik er geld op te verwedden dat u probleemloos uw uiteengesperde kontkaken tegen het portierraampje kan schurken zonder dat iemand Carglass belt. U bestaat gewoon niet. U mag er niet tussen.
Wanneer u uiteindelijk dan toch een plekje in de file heeft kunnen bemachtigen – in veel gevallen dankzij het type weggebruiker dat altijd verguisd wordt, zijnde de vrachtwagenchauffeur – kan de Observeermeneer in u op zijn gemakje genieten van wat er zich zoal voor, achter en naast u afspeelt.
Links van u zit een medeweggebruiker vol ijver in zijn neus te peuteren, ongetwijfeld op zoek naar ontbijt. U ervoer gelegenheden waarbij de oogst vlotjes de mond inging, maar dit keer merkt meneer net vóór het neuskeutelconsumeren de gefronste wenkbrauwen van de Observeermeneer. Het resulteert in zijn plotse drang om iets te gaan zoeken onder het dashboard.
De bestuurder rechts van u, lijkt zijn smartphone aan te wenden om een intieme kennismaking af te dwingen tussen zijn linker- en uw rechterbuitenspiegel.
De persoon voor u verstrekt u gaarne, gratis en voor niets, de informatie dat Kenji en Shauna aan boord zijn. Nadere inspectie leert dat dat een flagrante leugen is. En u maar extra voorzichtig zijn. Voor Kenji en Shauna.
Achter u staat een dame die de al zo trage voortgang een extra dimensie geeft, door een enorm gat te laten tussen haar en uw wagen. Haar achteruitkijkspiegel blijkt het meest doeltreffende middel om oogschaduw aan te brengen. Om die mensen een lesje te leren, een kleintje, want de mens beschikt over twee ogen, pleit de Observeermeneer dan ook voor extra hoge verkeersdrempels op autosnelwegen.

Eenmaal aangekomen in de stadskern, valt u het blije weerzien met de zwakzinnige weggebruiker te beurt. Zebrapaden blijken suggesties, rode voetgangerslichten zijn maar om te lachen. Mijn hart is steevast de tel kwijt, wanneer ik zo’n kleintje op een veel te grote fiets over het fietspad zie zwalken, een decimeter naast de dodelijke drukte. Als het goed is, fietst er dan een ouder achter.
Wat gaat er in diens brein om, vraagt de Observeermeneer zich dan af. ‘Onze Joerie is nét iets te groot voor de vondelingenschuif, misschien is dit een oplossing.’ Zou het zoiets zijn? Of: ‘Hij heeft een geel fluohesje en een vlagje op zijn bagagedrager. Wat kan hem nou gebeuren?’

Maar weet u waar de Observeermeneer zich allicht het meest aan ergert? Aan die mannen, nou ja – laat ons eerlijk zijn, sukkels eigenlijk – die overal commentaar op hebben en alles beter weten. Maar toch hun vrouw doen chaufferen.

Standard
Ik ben belachelijk

Electronicaretailklantendienstmedewerkers

Stel. U verdient het zout op uw patatten als – hou u vast, ik verzin dit niet – ‘electronicaretailklantendienstmedewerker’. Stel. U heeft een klant wiens E-reader DOA geleverd werd. Stel. Net die klant heeft tijd te veel, is irritant langdradig en heeft niks anders te doen dan onnozele mails te sturen. Stel. U ontvangt van deze klant onderstaande lap tekst in uw mailbox.

Continue reading

Standard
Liefste Dagboek

Da’k het niet moet weten!

Liefste Dagboek,

Vandaag ga ik even naar Sydney om een beetje te werken. Omdat ik de weg niet goed weet vanuit Antwerpen, vroeg ik een routebeschrijving aan Google Maps, maar die weet blijkbaar ook niet van welk hout pijlen maken.
Wat me wél opviel – ik weet niet of ú dat al wist – is dat Sydney nogal ver ligt. Maar dus écht ver. Serieus. De auto, laat staan de fiets, blijkt geen optie te wezen, dus rest een vliegreis, iets wat ik eigenlijk altijd te allen prijze poog te vermijden.
Ziet u, ik hou helemaal niet van vliegen. ‘Maar vliegen is de veiligste manier van reizen!‘ hoor ik u roepen. Jaja, ik moet het niet weten. En ik zal u vertellen waarom.

Ten eerste blijkt mijn lichaam over een trigger te beschikken die afgaat wanneer ik me in een voertuig bevind dat de snelheid van twaalf kilometer per uur overschrijdt en die resulteert in de certitude dat ik een nieuwe onderbroek van doen heb. Het behoeft dan geen verdere verklaring dat een aluminium buisje dat zich op tien kilometer hoogte tegen duizend kilometer per uur voortbeweegt, niet mijn meest favoriete feesttent is.
Bovenstaande indachtig, heb ik een hekel aan turbulentie. ‘Ja, maar dat is heus niet zo erg! Statistieken wijzen uit dat…’ IK MOET HET NIET WETEN! ALUMINIUM, DUIZEND PER UUR, TIEN KILOMETER HOOG!

Overigens is veel van de luchtvaartterminologie nogal ongelukkig gekozen en draagt die veelal bij tot het script van het rampenscenario dat zich in mijn hoofd afspeelt.
Wanneer u bijvoorbeeld daarboven in foetushouding tegen uw vliegangst vecht, en men u tracht te troosten met de woorden ‘Rustig maar, meneer… We zijn bezig met de final approach en uw familie wacht vast in de terminal‘, is de kans groot dat mijn inmiddels uitgeputte sluitspier de schouders ophaalt en er dan maar finaal de brui aan geeft.

Komt daar nog bij, liefste Dagboek, dat de vlucht wordt verzorgd door Etihad. E-ti-had.
Geen idee of ú woorden kent die eindigen op ‘-ihad’ en golven van blijdschap veroorzaken in uw buikje, mij schiet er zo niet meteen eentje te binnen.
Ik besef dat de op vooroordelen gebaseerde connotatie die ik leg, broekschijter die ik daar ben, volledig op mijn conto moet worden geschreven. Maar ik heb ervaring met Etihad. Prima toestellen en dito service aan boord. Maar Etihad doet toch haar stinkende best om u de stuipen op het lijf te jagen.
Waar het perfect begrijpelijk is dat een passagier met vliegangst heelder Ave Maria’s richting Schepper prevelt, schieten mijn wenkbrauwen toch door het bagagecompartiment, wanneer ervaren piloten nét voor het opstijgen een gebed in het Arabisch over de intercom zingen, om het lot van het vliegtuig, bemanning en passagiers in de handen van Allah te leggen. Dan ga ik toch hopen dat die mensen weten waarmee ze bezig zijn. En ook héél stiekem dat Allah een vliegbrevet heeft.

Liefs,

Coltrui

Standard